Geschreven door Liesbeth Bernolet

Verslag Focus #2: Nederlandstalig netwerk: waar naartoe?

 
 

Het Beurscafé zat woensdagavond gezellig vol voor de tweede Focusavond van Model NL. Niet alleen de panelleden verdiepten zich in de toegankelijkheid van het Nederlandstalig netwerk in Brussel. Ook het publiek nam deel aan het debat.

Het Nederlandstalig netwerk in Brussel is ooit gecreëerd door en voor Nederlandstaligen. Vandaag is het populairder dan ooit. Het aantal bezoekers én aantal activiteiten van de Gemeenschapscentra van de VGC zit in de lift, het aantal leerlingen dat is ingeschreven in het Nederlandstalig basisonderwijs in Brussel blijft stijgen en de Nederlandstalige speelpleinwerking van de VGC telt een recordaantal inschrijvingen. Hoe ga je om met zo’n populair netwerk? Barst het uit zijn voegen? Welke plaats krijgt het Nederlands nu ook anderstaligen het netwerk bevragen? En wat denkt u dan: is iedereen er welkom, of toch maar een klein beetje? Met deze vragen gingen onze panelleden aan de slag, maar het was het publiek dat de eerste stem kreeg.

De resultaten waren duidelijk, maar meteen ook verontrustend voor panellid Rita Harnie (voormalig schooldirecteur in Sint-Agatha-Berchem en lid van Marnixring Brussel-Hoofdstad): “De keuze van anderstaligen om te kiezen voor het Nederlandstalig netwerk is duidelijk. Ook is het duidelijk dat een jongere generatie Brusselaars over de taalgrenzen heen kijkt. Dat vind ik moeilijk.  We gaan te vrijblijvend om met mensen die weinig Nederlands kennen en doen te weinig ons best om hen in het Nederlands te woord te staan. Bovendien schakelen we zelf te snel over op een andere taal. Eigenlijk zijn wij, Nederlandstaligen, te laks.” Brusselkenner en publicist Leo Camerlynck beaamt:

"Langs Nederlandstalige kant moet er meer taalassertiviteit zijn. "

Meertalige communicatie in functie van missie
Inge Loodsteen, algemeen coördinator van D’Broej, en Pol Vervaeke, centrumverantwoordelijke van gemeenschapscentrum Ten Noey in Sint-Joost-ten-Node hameren op de missies van hun werkingen: voor D’Broej is dat de emancipatie en participatie van jongeren, de rol van de gemeenschapscentra is het verbinden van mensen en gemeenschappen. Een meertalige communicatie is daarvoor noodzakelijk, vinden zij.

“Negentig procent van ons publiek is anderstalig. Het belangrijkste is dat iedereen zich op zijn gemak voelt. Als dat niet het geval is, bereik je niks. Als het moet, leggen wij de eerste contacten dus in een andere taal,” aldus Inge Loodsteen. Dat vertelt ook jeugdwerker Lies Verhoeven: “het gaat om het vertrouwen en het welzijn van de jongeren,” klinkt het. “En steeds meer Brusselse jongeren luisteren naar Hollandse rapmuziek. Het Nederlands wordt dus echt wel hip,” knipoogt Lies.

"Je moet durven te jongleren met taal "

Dat vindt Pol Vervaeke. “Wij gebruiken een taal waarvoor ze dient: om een boodschap over te brengen.”

Daar zijn Leo Camerlynck en Rita Harnie het niet helemaal mee eens: “Het mag geen evidentie worden dat Nederlandstalige organisaties tweetalig communiceren,” vindt Camerlynck. “Als je naar een Nederlandstalige organisatie trekt, moet je dat Nederlands ook respecteren.” Harnie vult aan: “mocht iedereen in Brussel gewoon zijn eigen taal mogen spreken, dan moet je zelf alle talen kennen. Dat lukt niet en dus zou het Engels de voertaal kunnen worden. Daar moeten we voor oppassen, zelfs Franstaligen hebben daar schrik van, want zonder taal geen cultuur.”

Dat het Engels in opmars is, ondervindt ook Annick Abessolo, leerkracht Nederlands in de Franstalige technische school Institut de Mot Couvreur. Vorig jaar bevroeg ze heel wat leerlingen en die gaven aan liever Engels dan Nederlands te leren. “Zij die wel geïnteresseerd zijn in Nederlands, beseffen de meerwaarde om later een job op de arbeidsmarkt te vinden,” aldus Annick.

 

Spanningsveld
Inge Loodsteen van D’Broej stelt vast dat taal kan verbinden, maar ook kan verdelen. Daarom laat D’Broej Nederlandstalige en Franstalige jongeren doelbewust samen deelnemen aan activiteiten. “We moeten er over waken dat ‘groepen’ zich niet tegen elkaar opstellen. Wij gaan daar heel bewust mee om,” klinkt het.

Als Nederlandstalige organisatie een grotendeels Franstalig publiek bedienen, kan soms voor een spanningsveld zorgen. Er is de concrete werking van een organisatie in de Brusselse wijken en er is het taalbeleid van de subsidiërende overheid. Vraag is of we daar niet overheen moeten kunnen stappen, door de zogenaamde muren te slopen? “Ik zou dat wel willen,” aldus Pol Vervaeke, “maar de vraag is of we het ook kunnen. De mensen die werkzaam zijn in die organisaties moeten dat ook aankunnen.” Vervaeke kijkt naar zijn eigen werking van Ten Noey: “onze organisatie is niet opgewassen tegen het publiek dat daar op af zou komen. We mogen idealistisch zijn, maar er moeten nog veel stappen gezet worden voor zoiets zou kunnen.”

Geen pasklaar antwoord
Conclusies van de avond zijn duidelijk: Camerlynck en Harnie pleiten voor een meer assertieve houding van Nederlandstaligen, Loodsteen en Vervaeke wijzen op hun missies, die primeren tegenover taal ‘as such’. Dat er geen pasklaar antwoord is op de uitdagingen waar het Nederlandstalig netwerk voor staat, is duidelijk.

Wij houden het debat gaande en nemen alle meningen en bedenkingen graag mee naar de summit van 18 januari. In de tussentijd ben je natuurlijk ook welkom op onze derde Focusavond, komende woensdag 5 december in het Beurscafé. Alle info vind je hier.

Foto’s: Sarmad Albayati

 
 
Evenementen Model NL